| Elk vierkant is een rechthoek. |
| |
| Een rechthoek is altijd een parallellogram. |
| |
| Een trapezium heeft twee paar evenwijdige zijden. |
| |
| De diagonalen van een rechthoek snijden elkaar precies in twee gelijke delen. |
| |
| De diagonalen van een ruit staan loodrecht op elkaar. | | |
| De diagonalen van een parallellogram zijn altijd even lang. |
| |
| De overstaande hoeken van een ruit zijn aan elkaar gelijk. |
| |
| Een vierkant is een ruit waarvan de diagonalen even lang zijn. |
| |
| De overstaande zijden van een parallellogram zijn altijd even lang. |
| |
| Een rechthoek heeft vier gelijke hoeken. | | |
| Een cirkel is een veelhoek. | | |
| De hoeken van een regelmatige vijfhoek zijn gelijk. | | |
| De zijden van een gelijkbenige driehoek zijn even lang. |
| |
| Een gelijkzijdige driehoek heeft ongelijke hoeken. | | |
| Een stomphoekige driehoek heeft maar één stompe hoek. | | |
| Een rechthoekige driehoek heeft drie rechte hoeken. | | |
| Een regelmatige vierhoek is ook een vierkant. | | |
| Een diagonaal verdeelt de ruit in twee dezelfde driehoeken. | | |
| Een veelhoek heeft steeds gelijke zijden. | | |
| De middellijn van een cirkel is het dubbele van de straal. | | |