Werkwoorden: de noemvorm - oefening 1

1. Het gebeurt op een regenachtige nacht. 2. Haast onzichtbaar rijdt een reusachtige vrachtwagen voorzichtig de stad uit, in de richting van de grens. 3. De bestuurder is lichtjes zenuwachtig.
4. Aandachtig kijkt hij door de achterruit. 5. Op zijn gezicht verschijnt ook niet de kleinste glimlach. 6. Hij wil deze opdracht met al zijn krachten tot een prachtig einde brengen. 7. Vooraf heeft hij inlichtingen genomen om elk gevecht te vermijden. 8. Want hij heeft plechtig beloofd de groep vluchtelingen weer naar hun land te brengen.
Noteer hier, in volgorde zoals ze in de zin staan, de noemvorm van de vetgedrukte werkwoorden.
Zin 1:
Zin 2:
Zin 3:
Zin 4:
Zin 5:
Zin 6: -
Zin 7: - -
Zin 8: - -