Verdubbelen of verenkelen

Op peon twee wacht ik op de trein.
Hij biert van de koude.
Als papa de auto wast, heeft hij zes eers water noig.
Mama en papa koen een nieuwe zeel.
Op Allerzielen herdenken wij de doe mensen.
In de weide staat een kue schaen.
's Avonds kijk ik altijd eens naar de steen aan de heel.
Op de schoel liggen zeen aels.
In de Tweede Weeldoorlog gebruikte men veel waens en boen.
Mijn neefje van drie jaar speelt veel met bloen.
Op mijn kaer staat een foo waarop jij en ik staan.
De jurouw heeft altijd een kleine koer mee.
Mijn teen heen koud.
Dieter en Jeroen voetbaen in dezelfde ploeg.
Op de fruitschaal lien aels en peen.
Ik moet van mama mijn spuen in mijn kaer opruimen.
Ik heb de spiegel laten vaen. De stuen glas laen verspreid over de grond.
Vraagstuen oploen vind ik moeilijk.
Opa kan heel goed spaende verhaen verteen.
Ae daen drink ik twee glazen melk.
Kien en kiers vind ik rare dieren.
Op het bord staan tien soen die we moeten oploen binnen het kwartier.
Wij eten aemaal graag aardaelen met worst en aelmoes.