Verenkelen en verdubbelen

Elke week gaan wij zween.
Mama drinkt heel veel koie.
In de tuel rijden veel auto's.
In de weeld is er veel oorlog.
Heb jij het nuer van Pieter?
Jelle is een verleen jongen.
Je liet me schrien.
Weinig kinderen vinden spruiten leer.
De politie houdt de fietser teen.
In de badkamer ruikt het leer fris.
Thuis ben ik twee goudvien.
Jaer dat Jeroen ziek is.
Mieke is een daer meisje.
Op school leren we brood baen.
Ons alfabet telt 26 leers.
Mijn opa kan goed verteen.
De bijen maken hoing.
In onze tuin hebben voels een nestje gemaakt.
De postboe brengt ons elke morgen de post.
Ik ga elke maand naar de kaer.