Verenkelen en verdubbelen

Elke week gaan wij zween. (m/mm)
Mama drinkt heel veel koie. (f/ff)
In de tuel rijden veel auto's. (n/nn)
In de weeld is er veel oorlog. (r/rr)
Heb jij het nuer van Pieter? (m/mm)
Jelle is een verleen jongen. (g/gg)
Je liet me schrien. (k/kk)
Weinig kinderen vinden spruiten leer. (k/kk)
De politie houdt de fietser teen. (g/gg)
In de badkamer ruikt het leer fris. (k/kk)
Thuis ben ik twee goudvien. (s/ss)
Jaer dat Jeroen ziek is. (m/mm)
Mieke is een daer meisje. (p/pp)
Op school leren we brood baen. (k/kk)
Ons alfabet telt 26 leers. (t/tt)
Mijn opa kan goed verteen. (l/ll)
De bijen maken hoing. (n/nn)
In onze tuin hebben voels een nestje gemaakt. (g/gg)
De postboe brengt ons elke morgen de post. (d/dd)
Ik ga elke maand naar de kaer. (p/pp)