Vul de lidwoorden de, het of een in
1) Ik zie hoe
bakker
taart bakt.
2) In
boom zat
vogel.
3) Weet je dat
huis van mijn oom in
mooie straat staat?
4) Voor
kerk staat
hoge boom.
5) Mijn broer wil
appel.
6) Onze kip legt elke dag
ei.
7) Nog steeds brandt
lantaarn voor onze school niet.
8) Piet vangt
vis.
Controleer
OK