Zoek het doe-woord in de volgende zinnen. Typ het doewoord dan over.

Frans loopt in de tuin.
De zon schijnt.
Frans ziet een plant.
Op de plant kruipt een rups.
De rups is geel met zwart.
Frans haalt een pot.
Hij pakt de rups.
De rups kruipt op zijn hand.
Hij pakt een blad.
Hij doet het in de pot.
Frans loopt met de pot naar huis.