ou/au-oefeningen

Jochen heeft vijf ften gemaakt.
Ik vind het flw dat hij mij verklikt heeft.
Wil je me eens de ss doorgeven?
Uit de tomaat haal ik een zakje chips.
Denk jij dat kabtertjes bestaan?
Een poes heeft klwen.
Gisteren ben ik stt geweest.
We bwen graag een toren met blokken.
Op school mogen we geen kwgom eten.
Morgen zullen we twee gdvissen kopen.
Hebben jullie ook een poetsvrw?
In de winter is het heel kd.
Lies en Els zden graag een pw krijgen.
Dat gebw is al 50 jaar d.
De straat is te nw voor de to.
Ik ben blw van de k.
Naast ons woont een heel d vrwtje.
Mijn ouders zijn allebei verkden.
In augustus gaat de juffrw op reis.
Mijn ders rijden met een blwe to.