Vul in met 'd' of 't'!

Ik heb veel vrienjes.
Jij bent bijna altij te laat.
Je komt binnen langs de ingang en je gaat buiten langs de uigang.
Aan de muur hang een foto van opa.
Ik vind die jongen bruaal.
Die trui kost veel gel.
Hij is een slim manneje.
Dat geheim vertel ik aan nieman.
Kijk, hij is mijn vijan.
Naast ons huis staat een paar in de weide.
Ze zoekt een bla om haar punten van wiskunde op te schrijven.
Toen hij verjaarde, heb ik hem een kaarje gestuurd.
Mijn honjes zijn al vier jaar oud.
Ik eet graag een brooje met ham.
Met een rake kan je naar de maan vliegen.
Het eine van schooljaar is bijna in zicht.
Ik neem graag een ba.
Binnen een uurje komt mama me halen.
Steven duw Annelies.
Voor mijn neefje van drie jaar moet ik altij een verhaalje voorlezen.