Verenkelen en verdubbelen oefening 1a
Elke week gaan wij zwe
en. (m/mm)
Mama drinkt heel veel ko
ie. (f/ff)
In de tu
el rijden veel auto's. (n/nn)
In de we
eld is er veel oorlog. (r/rr)
Heb jij het nu
er van Pieter? (m/mm)
Jelle is een verle
en jongen. (g/gg)
Je liet me schri
en. (k/kk)
Weinig kinderen vinden spruiten le
er. (k/kk)
De politie houdt de fietser te
en. (g/gg)
In de badkamer ruikt het le
er fris. (k/kk)
Thuis ben ik twee goudvi
en. (s/ss)
Ja
er dat Jeroen ziek is. (m/mm)
Mieke is een da
er meisje. (p/pp)
Op school leren we brood ba
en. (k/kk)
Ons alfabet telt 26 le
ers. (t/tt)
Mijn opa kan goed verte
en. (l/ll)
De bijen maken ho
ing. (n/nn)
In onze tuin hebben vo
els een nestje gemaakt. (g/gg)
De postbo
e brengt ons elke morgen de post. (d/dd)
Ik ga elke maand naar de ka
er. (p/pp)
Controleer
OK