was het nu "ei" of was het "ij"?... oefening 1

Maak alle ei/ij-woorden af in deze zinnen.
De kippen van onze buren leggen veel eren.
In onze klas zit een kln msje altijd vooraan.
Een sje eet je meestal als het warm weer is.
Een pestkop heeft veel vanden
Ik ga niet graag met de trn op rs.
B het afschd begon ze te wenen.
Het is bna vakantie. Ik kk er al naar uit!
Lust j ook aardben op je s?
Mama vindt het niet fn als ik door de kamer loop als z dwlt.
De hond kwlt altd op het nieuwe tapt.